Vonne van der Meer - Vonne van der Meer over schrijven

Mieke van der Weij

Op weg naar Vonne van der Meer stap ik uit de trein in Naarden-Bussum. Het sombere stationsgebouw ken ik vrij goed, maar nu bekijk ik het met hernieuwde interesse, want hier speelt zich een cruciale scène af in haar nieuwe roman.

Aan de thee in haar huis in Naarden-Vesting, waar ze woont met haar man, schrijver Willem Jan Otten, begin ik over dat station.

“Ja, dat is een mooie plek, die was er al in de oorlog. Ik ben opgegroeid in Laren en kwam er altijd als ik naar Amsterdam ging. Ik heb daar vaak gewacht op de trein. Het is een bijzonder gebouw. En toen ik een station zocht om een heel belangrijke scène te laten spelen, dacht ik.”

Is het verhaal daar ook mee begonnen? Of was het een personage, of een gebeurtenis?
“Al vanaf mijn 18e ken ik iemand die in de oorlog kinderen van Amsterdam naar Friesland en Limburg heeft gebracht. Ze heeft me daar veel over verteld. Ik wist al vrij snel dat, als ik duidelijk wil maken hoe moedig het is om zulke risico’s te nemen, ik dat beter kon doen door te vertellen van iemand die het op een cruciaal moment laat afweten."

"In een omgeving van verzetslieden die het wel gekund hebben. Het leven van díe man, zíjn schuldgevoel. En het gaat ook over de relatie redder-gereddene, dus de man die de baby ‘gered’ heeft en die baby later. Hoe kijkt ze als volwassen vrouw naar die man? Wie is hij voor haar?”

Is hij de hoofdpersoon? Er lijken veel personages om de aandacht te strijden.
“Ja, ook letterlijk, grappig dat je dat zegt, om de aandacht ‘strijden’ want het gaat bij die vrouwen om de aandacht van de vader."

"De dochter heeft over dat geredde meisje altijd gedacht: hij heeft haar gered dus voor haar heeft hij iets gedaan. En Mila heeft haar hele leven gedacht: ik heb mijn leven wel aan hem te danken maar zíj is zijn dochter. Zij kan altijd bij hem zijn, en ze is ook nog eens hartstikke slim... die rivaliteit, daar gaat het ook over.”

Robert heeft die redding lang als een ‘wonder’ ervaren. Waarom?
“Wat er precies gebeurd is waardoor de Duitsers afgeleid werden, is voor hem heel lang vaag. Hij weet alleen maar dat er geschoten is, hij weet nog niet dat iemand die schoten verzonnen heeft. Hij heeft vijftig jaar lang gedacht dat het toeval... of moet ik het een wonder noemen... ervoor gezorgd heeft dat hij alsnog met Mila op de trein kon stappen."

"Nu gaat hij het hele verhaal eindelijk na al die jaren vertellen. Nu licht, als een foto in een ontwikkelbak, die Duitse soldaat op. Hij herinnert zich die man... ziet een gezicht voor zich. Het wás geen toeval, het was íemand.”

Die oude man, die Robert, is op het eind van zijn leven weer gaan bidden, knielen. Wel rooms opgevoed, was hij als student van 19 na het lezen van een essay van Ter Braak tot de conclusie
gekomen dat hij niet meer geloofde. Is het bij jou ook zo gegaan?

“Nee, helemaal niet. Mijn achtergrond is zo anders dan die van Robert Blauwhuis. Ik kom uit een agnostisch gezin, ik heb die geschiedenis helemaal niet.”

Je schrijft over dat op de knieën gaan: ‘Er was niets raars aan, het voelde niet als een nederlaag.’ Waarom heb je hem dat zo laten ervaren?
“Ik leef me in die man in, bijna als een actrice. Ik wil dicht bij mijn personages komen als ik aan het schrijven ben. Ik vind het goed voorstelbaar dat je, als je je hele leven met een geheim hebt rondgelopen, als het ware overloopt."

"Nood leert bidden. Die man is ook zo dankbaar omdat Mila het ondanks zijn falen toch gered heeft. Hij had geen leven gehad als die baby door de Duitsers meegenomen was, dat weet hij ook wel. Díe dankbaarheid brengt hem uiteindelijk op de knieën.”

Hij geneert zich voor dat bidden. Hij is er niet echt open over tegen zijn dochter...
“Ja, dat is toch heel voorstelbaar. Als je je kinderen zonder geloof hebt opgevoed, ze niet hebt leren bidden... Dan is je vrouw dood, je bent alleen... en dat je dan weer tot geloof komt, en dat je dat dan niet aan je agnostische dochter durft te vertellen...”

Je bent zelf ook op latere leeftijd, begin jaren negentig, tot - katholiek - geloof gekomen. Was het toen voor jou ook lastig, in die literair intellectuele omgeving?
“Ik heb er toen niet over nagedacht. Pas toen de reacties kwamen heb ik gemerkt hoe vreemd er tegen aan gekeken werd.”

Volgens mij zou dat nu al weer anders liggen, denk je niet?
“Dat denk ik zeker en ik denk dat ik daar ook onderdeel van uitgemaakt heb. Een trend gezet is een te groot woord, te veel eer. Maar ik ben er wel een schakel in geweest.”

Je hebt veel goed gewaardeerde en verkochte titels op je naam staan. Wordt het steeds makkelijker om een nieuw boek te schrijven?
“Het is iedere keer weer een avontuur, ook of het boek zijn lezers vindt. Je kunt een boek hebben dat hartstikke goed besproken wordt, waar in alle bladen wel iets aardigs over geschreven wordt en dat toch niet loopt."

"En een ander boek doet het wel, terwijl het ongunstig begonnen is, omdat het in de zomer uitkomt of zo. Het enige waar ik zo langzamerhand wel vertrouwen in heb, is dat er een moment komt, als is het na een jaar, waarop ik zeg: ik ben weer aan het schrijven.”

Is dat iets dat je afwacht?
“Dat wacht ik af, ja. De geest waait waar hij wil en wanneer hij wil. Ik heb geen lijstje met plannen. Wel onderwerpen waar ik omheen ga lezen. Soms heb ik de structuur van een boek, dan weet ik wel wie de verteller is, maar dan moeten de verhalen nog komen. Bij Eilandgasten is dat ook zo gegaan, toen had ik dat huisje, dat eiland en op een gegeven moment ben ik gaan schrijven... dat lag ook allemaal nog niet vast, wie die gasten zouden zijn.”

Eilandgasten was ook als film op tv en ik las dat De reis naar het kind nu door Heddy Honigmann verfilmd wordt. Je boeken lijken aantrekkelijk voor filmers.
“Ja, maar het probleem van mijn boeken is dat zich zoveel in het hoofd afspeelt, wat mensen denken, wat ze niet zeggen, en dat is zo ongelooflijk moeilijk. Ik waarschuw filmmakers altijd: niet doen! Let op die valkuil! Lezers zeggen vaak: ik zie het voor me, net een film. Maar dat maakt nog niet dat het makkelijk verfilmbaar is.”


-----------------------------------------------------------------------------------
Zondagavond
Dezer dagen verschijnt Zondagavond, het nieuwste boek van Vonne van der Meer.

Korte inhoud: Op een zondagavond in september komen er twee bezoeksters naar het appartement van Robert Blauwhuis. De ene is zijn dochter, de andere is Mila, die hij in de oorlog in veiligheid heeft gebracht toen zij nog een baby was. De vrouwen mijden elkaar al jaren, als waren zij rivalen in de liefde. Robert Blauwhuis heeft zijn leven lang verzwegen wat er gebeurd is toen hij als 22 jarige student baby Mila naar een onderduikadres bracht.

Lees meer over het boek Zondagavond in Mieke's Leesclub.


Biografie

Naam: Vonne van der Meer
Geboren: 15 december 1952 in Eindhoven. Opgegroeid in Laren (NH).
Woont: In Naarden-Vesting met echtgenoot Willem Jan Otten
Opleiding: Mms, jaartje high school in de VS, regieopleiding Amsterdamse Theaterschool.

Carrière:
1978 regie-assistent bij het Ro theater. Later circa tien jaar freelance regisseur, bij o.a. Baal, Centrum, De Haagse Comedie. Schreef al op de middelbare school. In 1976 werd haar monoloog De behandeling gespeeld door de toneelgroep Centrum. Haar eerste boek verscheen in 1985: Het limonadegevoel en andere verhalen. Daarna ongeveer om de twee jaar een nieuwe titel. De romans Eilandgasten (1999) en Avondboot (2001) werden verfilmd.

NCRV-gids 3, 17 t/m 23 januari 2009

.