Schrijver Tommy Wieringa ontdekt zijn familiegeschiedenis

Tekst: Anouck Horsthuis

We zitten in een praktisch verlaten café-restaurant aan de noordkant van Amsterdam. De aanleiding voor ons gesprek is de aflevering van Verborgen verleden, waarvoor de redactie van het programma en hijzelf een zoektocht ondernamen naar de voetsporen van zijn voorouders. Een onderneming die Wieringa zeer welkom was, omdat hij nauwelijks wist waar hij precies vandaan kwam. “Bij ons in de familie wordt simpelweg niet teruggekeken”, vertelt hij, als de melk in de juiste verhouding door de espresso is geroerd. “Ik wist nog net de namen van mijn grootouders, maar dat was het dan ook. Wat zij hebben meegemaakt, wat er vóór hen was, niemand heeft me daar ooit iets over verteld. Ik heb daarover wel eens geschreven: ‘Als je in mijn familie niet vergeten wilt worden, is het beter om niet te sterven. Want zodra je sterft, ben je definitief weg.’

Voelt dat als een gemis?
Ja, het is toch een beetje karig te leven zonder verhalen over vroeger. Niet dat ik alles tot in detail had hoeven horen. Ik heb geschiedenis gestudeerd, dus ik heb niet veel nodig om me een beeld te kunnen vormen. Toen mij werd gevraagd wat ik hoopte te ontdekken over mijn voorouders, wist ik een ding zeker: mijn voorouders waren vast en zeker dagloners geweest. Mensen uit de klei. Hoe ik dat wist? Omdat ik het heus wel gehoord zou hebben als er ook maar enige glans aan mijn voorgeschiedenis zou zijn geweest. (Lacht) En het klopte: mijn voorvaderen waren dagloners. Maar uiteindelijk toch wel met een mooi verhaal. Want het blijkt een familie van landverhuizers te zijn. Mensen die in een proces van kettingmigratie verzeild waren geraakt. Alle ooms en tantes van mijn grootvader, de vader van mijn moeder, zijn namelijk naar de VS vertrokken. Allemaal! Behalve dus die ene broer. Maar blijkbaar werd dat niet interessant gevonden, want het was zelfs mijn moeder nooit verteld. Ik denk omdat het niet interessant werd gevonden. Zoiets was niet relevant, het ging erom dat je het hoofd boven water hield. Ons huidige denken over hoe je je verhoudt tot je familie en je voorgeschiedenis is veel te subtiel voor de hardwerkende mensen van vroeger.”

Heb je er last van gehad?
“Ik heb me altijd afgevraagd waar ik vandaan kom. Dus dat ik nu een notoir verhalenverteller ben en voor mijn dochter een soort dwangmatige notitiedrift heb, zal daar zeker mee te maken hebben. Maar ik heb uiteindelijk niet zozeer dáárvan last gehad, als wel van de vraag waar ik eigenlijk thuishoor. Mijn kindertijd heb ik doorgebracht op Aruba, tot we op mijn negende terug verhuisden naar Nederland. Vanaf dat moment voelde ik me ontheemd. Het was alsof ik uit het paradijs was verjaagd. Ik hoorde niet hier, maar daar. Dat onbehagen heb ik tot m’n dertigste gevoeld. Toen was ik het zat en besloot ik eindelijk Nederlander te worden. Ik legde mezelf simpelweg op om van de seizoenen te gaan houden. Van het gedrag van de hazen in het weiland en de kieviten in de hemel. Ik besloot om Nederlander te zijn met het leven dat daar bij hoort. Hoe dat zo ineens lukte? Wat meehielp was dat ik me realiseerde dat ik in deze taal thuishoor. Als ik ergens in geworteld ben, dan is het in de taal.”

Hij vertelt over ‘het eeuwige gedoe’ dat schrijven volgens hem is en over zijn columns, waaruit hij de mooiste selecteerde voor zijn nieuwste boek Ga niet naar zee.
“Ik schrijf er elke week één en in die zin is het natuurlijk een vorm van dwingelandij. Ik moet een stroom aantekeningen op gang houden en ik moet iedere week een stukje schrijven. Maar het leuke is: het levert altijd iets op. Als ik ze teruglees, blijken ze namelijk altijd een zekere noodzakelijkheid te hebben. Maar, (priemt zijn vinger in de lucht), zonder deadline waren ze er nooit geweest!”

Hij vindt dat hij nergens beter schrijft dan in die ‘kleine dingetjes’. “Het zijn dartele schijnbewegingen”, legt hij uit. “En ze zijn onaf. Daar hou ik van. Zomaar iets of iemand tevoorschijn brengen en na twee zinnen weer laten afvloeien.”

Vrijheid die je je in je romans niet kunt permitteren?
“Een roman is ernstiger en zowel geestelijk als fysiek zwaarder. Voor een boek moet je in conditie zijn. Je moet de beklemming aandurven, zonder precies te weten hoe het zal aflopen. Je moet de afzondering aangaan. En je moet het egocentrisme kunnen opbrengen dat nodig is om een roman te kunnen schrijven.”

En dat alles om daarna een boek in je handen…
“Welnee. Ik heb altijd een zeurend gevoel van mislukking en teleurstelling nadien. Want wat heb je als je klaar bent? Niks. Je hebt jezelf uit het werk geschreven en je hebt de sleutel aan de lezer gegeven. En daarmee heb je jezelf buitengesloten.”

Waarom jezelf dan al die moeite getroosten?
“Hardlopers rennen voor de endorfinen die vrijkomen tijdens het lopen, niet voor de medaille. Dat geldt voor mij precies zo. Het proces zelf, dat is waar ik het voor doe. Soms ben ik aan het werk, en dan voel ik het idee opbollen, bijna zoals een zeilboot de wind pakt. Dan word ik bijna opgetild.”
Door de geboorte van zijn dochtertje is er iets veranderd. “Ik vind het lastiger om het benodigde egocentrisme te mobiliseren nu ik haar heb. Niet vanuit filosofisch oogpunt, maar gewoon praktisch. Het een schreeuwt nu eenmaal harder dan het ander. (Lacht) Maar de oplossing komt er al aan hoor. In de vorm van een schrijfhok in de tuin.”

B I O G R A F I E

Naam: Tommy Wieringa
Geboren: 20 mei 1967, Goor
Woont: met vrouw en dochtertje (0) in een dorpje ten noorden van Amsterdam
Studeerde: geschiedenis en journalistiek

Carrière: de romans Alles over Tristan (Halewijnprijs, 2002), Joe Speedboot (F. Bordewijkprijs, 2006) en Caesarion (mei 2009). Zijn reisverhalen werden gebundeld in Ik was nooit in Isfahaan (2006). In 2007 verscheen De dynamica van begeerte, een onderzoek naar de oorsprong van begeerte en de grote rol van pornografie in de moderne wereld. Essays en beschouwingen verschenen in de Volkskrant en NRC Handelsblad. Wieringa heeft een column in De Pers en in Hollands Diep. Zijn werk wordt wereldwijd vertaald. Het Groot Dictee der Nederlandse Taal is dit jaar van zijn hand.

NCRV-gids edtitie 44, 30 oktober t/m 5 november 2010