Carry Slee - Hier ben ik

Gertom de Beer

Een hoekhuis verstopt in het groen. Binnen veel licht. Licht dat de donkere bovenwoning uit haar jeugd in Amsterdam-West moet doen vergeten. Een steriele kamer met een koude marmeren vloer wordt opgevrolijkt door designmeubels in primaire kleuren. Maar vooral door Carry Slee. We praten over het kind, de moeder en andere rollen.

De schrijfster

"Toen ik nog niet kon schrijven, bedacht ik verhaaltjes voor mijn knuffeldieren. Zette ze in een kring en las voor uit eigen werk. Op de lagere school was er een schrift waarin ik iedere dag korte verhalen en gedichtjes schreef. Door mijn moeder ben ik misschien wel schrijfster geworden. Zij was depressief. Ik trok me daardoor heel erg terug in mijn fantasie. Ja, noem het maar een geluk bij een ongeluk. Ik verzon ook altijd verhaaltjes over hele lieve moeders die mijn echte moeders bleken te zijn. Het heeft uiteindelijk goed uitgepakt. Heel positief. Maar zo is wel de kiem van mijn schrijverschap gelegd.

Vorig jaar oktober kreeg ik de opdracht het kinderboekenweekgeschenk te schrijven. Een oplage van 350.000 exemplaren! Je bent eerst heel blij. Feest aan alle kanten. Uit eten. Maar dan, help, ik moet het nu gaan doen. Ik ben nog kritischer op mezelf geweest dan gewoonlijk. Ik moest nog een verouderd zwemboekje herschrijven. Maar daar had ik geen geduld meer voor. Het is als een kind krijgen. Het thema ‘dizcriminatie’ - zo gezien op een muur in de Bijlmer - had ik er voor bewaard. Ik zag het namelijk een beetje aankomen. En dacht stel nou dat ik het kinderboekenweekgeschenk mag schrijven? Dan moest het daar over gaan. Ik bezoek regelmatig scholen en dan voel je het. Dan zie je het.

Er bestaan geen schrijftaboes voor kinderen. Het gaat steeds om de manier waarop je onderwerpen aan de kinderen aan biedt. Als pesten, ziekte of zelfmoord op het pad van kinderen komt, dan moet ik daar iets mee doen. Ik ben geen bang mens. Ik heb ook van de ene op de andere dag mijn ontslag als lerares drama aan een middelbare school durven nemen om schrijfster te worden. Ik heb vertrouwen in mezelf. Tijdens het schrijven van Spijt, een boek over een jongetje dat letterlijk wordt doodgepest, kreeg ik wel een raar gevoel. Het is ontzettend gemeen wat er in dat boek gebeurt en dat zit je toch maar zelf te verzinnen. Ik betrapte mezelf op een soort schuldgevoel. Achterop de VPRO-gids is daar later nog een briefwisseling over ontstaan. Een jongen zei dat er in zijn klas veel minder werd gepest nadat het boek was voorgelezen. De week daarop schreven andere kinderen: dat is bij ons in de klas ook gebeurd. Het is natuurlijk een druppel, maar als je daar niet in gelooft, kun je nooit meer wat. Ik heb wel eens een boek willen schrijven over straatkinderen. Nee, geen lijmsnuivertjes uit Rio, maar over kinderen in Nederland die ook geen huis hebben. Dat heb ik moeten afbreken omdat ik niet dicht genoeg bij ze kan komen. Ik weet niet goed genoeg wat in ze leeft. Net als bij oorlogskinderen in Kosovo."

De bekritiseerde

"In het begin moest ik wennen aan de kritiek in de pers. Dan dacht ik dat ik iets moois gemaakt had en werd het vervolgens de grond in geboord. Maar toen de kinderen steeds meer hun stem begonnen te roeren, dacht ik: jullie kletsen maar aan. Ja, ik weet het, mijn verhalen zijn dichtgetimmerd, te toegankelijk gemaakt, voorspelbaar. De onderwerpen te opgelegd-modieus. De boodschap schemert door de tekst heen. Compositorisch zwak, houterige dialogen, vlakke stijl… Het zal wel. Maar los van die recensies werd ik vorig jaar opeens moe van m’n eigen zinnen. Niet dat het altijd dezelfde zinnen zijn, maar het is toch de manier van vertellen. Daar ben ik nu gek genoeg doorheen. Ik heb er geen last meer van. Ja, ik heb mijn gereedschap geaccepteerd. Las een verhaal over Jaap ter Haar die daar ook zo’n last van gehad heeft. Die kotsmisselijk van z’n eigen zinnen werd en met schrijven is gestopt. Ik heb geluk gehad. Ik ben er over heen gegroeid.

In de speech die ik op de persconferentie van de kinderboekenweek uitsprak, zei ik dit: ‘Op school mochten we ons schrift voor ons nemen. We moesten de eerste bladzij in twee kolommen verdelen. Boven de linker kolom kwam verboden te staan. Er volgde een lange lijst met woorden en begrippen die niet in een goed opstel horen. En boven de rechter kolom kwam streng verboden. Hieronder kwam één woord te staan: Stoplappen. Helemaal, dus, natuurlijk, uiteraard. Woorden die betekenisloos worden gebruikt. Mevrouw Spruit verzekerde ons dat hoe knap de inhoud van je opstel ook was, het gebruik van stoplappen leverde je gegarandeerd een onvoldoende op. Maar net zo resoluut als ze de stoplappen in mijn werk doorhaalde, schreef ze er ook altijd onder: ‘Je komt er wel.’ Je zou verwachten dat je nooit meer zonder schuldgevoel een stoplap zou gebruiken. Alleen nog boeken zou lezen met twee plussen. Maar na de middelbare school vergat ik langzaam aan de regels van mevrouw Spruit. Tot de dag dat ik de recensies van mijn boeken las. Ik weet nog met welke grote voorzichtigheid mijn uitgever ze met liet zien. Maar, in plaats van ontmoedigd te raken, stroomde er een golf van herkenning door mij heen. Hier spraken de lievelingen van mevrouw Spruit. Weer kolommen met verboden en streng verboden. En net als bij mevrouw Spruit zonder enige twijfel gebracht. Er was één verschil. Nergens heb ik ooit gelezen, je komt er wel. En toch sta ik hier..."

Het kind

"Ik wilde vroeger altijd een jongetje zijn omdat mijn vader dat wilde. Toen ik als meisje geboren werd was hij hevig teleurgesteld. Hij kwam bij de geboorte niet eens kijken. Maar later zei hij vaak voor de ‘lol’, dat hij met mij een dochter én een zoon had. Zo gedroeg ik me ook. Ik las de Kameleonserie. Wilde altijd op avontuur. Er moest iets gebeuren. Ik weet niet of het nou komt omdat je altijd wilt voldoen aan de wens van je ouders, maar nu ben ik rustiger geworden.

Het kind in mij is nog wel heel groot. Ik kan nog altijd heel emotioneel zijn bij het schrijven. Als het mij raakt, raakt het anderen ook. Kinderen voelen dat feilloos aan. Maar ik heb in het gewone leven wel geleerd beter met mijn emoties om te gaan. Soms heb je verstand gewoon nodig. Dat is nu in goede harmonie. Ik neem mijn beslissingen niet meer zuiver emotioneel. En Ellis, mijn vrien-din, verzorgt nu de zakelijke kant. Alleen lekker veilig schrijven achter je bureau is niet meer genoeg. Vroeger haakte ik altijd af. Nu niet meer. Daarom ga ik in de Kinderboekenweek ook tien zware dagen op tournee met actrice Ellis van den Berg en VOF de Kunst."

De moeder

"Over mijn moeder heb ik in het boek Anne geschreven. Mijn moeder kon niet leven. Zij was depressief. Toen ik op de lagere school zat, was het het ergst. Toen kwam ze haar bed niet meer uit. Zodra de school uitging was ik altijd met mamma bezig. Heeft ze niet gehuild? En opbeuren. Ach, welnee mam, zo erg is dat niet. Ik hing altijd de pias uit. Kon er eigenlijk niet tegen. Later toen mijn therapeut tegen mij zei, veronderstel dat jij zo zou zijn als moeder van je dochters Nadja (20) en Masja (18). Toen begreep ik het pas. Toen voelde ik ineens: verdorie, het was heel erg. Maar ondanks alles heeft mijn moeder wel een schrijfster van mij gemaakt."

2 - 8 oktober 1999