Connie Palmen - 'Ik heb een oprechte, nare arrogantie'
Barbara van Gool
Een etage in een modern Amsterdams grachtenpand vlakbij de Westertoren. Connie Palmen (46) wacht bij de deur met een shaggie in de hand. We nemen plaats aan een grote tafel in de woonkeuken. Koffie, een kom turks fruit en een pakje Marlboro binnen handbereik. Opvallend zijn de vele foto’s, waarop ook nieuwe liefde Hans Van Mierlo te herkennen is. Palmen zit middenin het lezingencircuit over haar nieuwe boek Geheel de uwe dat eind augustus uitkwam. Vier jaar lang werkte ze eraan. Het is haar vijfde na De wetten, De vriendschap, I.M. en boekenweekgeschenk De erfenis.
In de hoofdpersoon van Geheel de uwe zijn nogal wat lijntjes naar Ischa Meijer te herkennen. Zijn column, zijn hoerenbezoek, zijn aantrekkingskracht op vrouwen, de manier waarop hij sterft. Heb je dat bewust gedaan?
“Ja, maar ik heb het niet zo willen benadrukken als de kritieken doen. Ik heb er een archetypische Don Juan van willen maken, en daarvan was Ischa een voorbeeld. Die Don Juan heb ik vervolgens vanuit vrouwen belicht die niet per se een liefdesverhouding met hem hadden.”
Vanuit een hoer, een actrice, een non, een psychiater en een drietal andere vrouwen. Wie ben jij?
“Ik blijf de meest verborgen ik. Voel me aan niemand écht verwant, of aan iedereen evenveel.”
Filosofie speelt een nogal grote rol. Zelfs de hoer filosofeert.
“Klopt. Ik heb belang bij een slimme hoer. Ik heb er blijkbaar moeite mee om personages op te voeren die niet heel nadenkend zijn. Die ken ik ook niet in het dagelijks leven. Mensen amuseren me door hun gepieker en getob. Ik wil binnen vijf minuten weten wat iemand bezighoudt en dan kom je altijd wel tot iets. Wat dat betreft bestaan er eigenlijk geen domme mensen. Je hebt al een filosofie nodig om de straat over te steken. ”
Toen I.M. uitkwam, waren de kritieken niet mals: ‘egomane droomwens’ , ‘zoetsappige keukenmeiderige soap’ Raakt dat je?
“Ik heb me daar van meet af aan immuun voor gemaakt door me arrogant op te stellen. Iemand zei ooit, Springer geloof ik, of Karel van ’t Reve: ‘Niemand zegt op de lagere school als de juf vraagt wat je wilt worden: recensent.’ Ik lees alle kritieken en krijg al snel de houding: Wat is hier aan de hand? Waarom is die kritiek zo fel? Met Geheel de uwe was het weer hilarisch. Misschien zielig, maar voor het eerst dacht ik: op dit boek is geen kritiek mogelijk. De droom van iedere schrijver, want bij elk boek denk je dat het een meesterwerk is en dat dat toch gezíen moet worden. Toen dat van meet af aan níet gebeurde, werd ik er zo vrolijk van. Dat ik überhaupt even verwachtte dat een recensie objectief zou zijn!”
Weer die arrogantie?
“Ja, ik heb een oprechte, nare arrogantie in mijn werk; in het dagelijks leven voel ik me nooit beter dan wie ook en ben ik net zo onzeker als iedereen.”
Iedereen heeft ook wel wat over je te zeggen. En zeker niet altijd positief.
“Dan moet ik maar blij zijn dat ik niemand onberoerd laat. Het is bovendien het gevolg van het betreden van het publieke domein. Ik begrijp het fenomeen dat wanneer je in de publiciteit komt, je iets oproept bij mensen. Die Volkert van der G. is het grootste voorbeeld. Waarschijnlijk pleegde hij die moord omdat Pim Fortuyn in zijn ogen verkeerde dingen riep. Terwijl ze elkaar nooit hebben ontmoet. Zoveel haat kun je oproepen. Dat heeft iets engs, maar dat immuun maken van mezelf helpt tegen die angst.”
De grote kritiek op I.M. was dat je je Ischa Meijer helemaal had toegeëigend.
“Ja, volstrekt onterecht. Het was geen toe-eigenen. Dat boek is zo duidelijk, het is een roadnovel met een duidelijke begrenzing van tijd. Het begint in januari 1991 en eindigt op 14 februari 1995. Wat ik mezelf toeschrijf, is dat die liefde echt was. Maar daarmee is het nog geen Romeo & Julia-liefde of een romantische liefde. Het is een liefde met alle haken en ogen van dien als je met een ontrouwe man omgaat, die daar overigens wel onder lijdt. Mij toe-eigening verwijten, verraadt juist de bezitsdrang van anderen. Ischa Meijer was van iedereen. Ik ben de eerste die dat toegeeft. En ze mogen hem echt hebben.”
I.M. kwam exact drie jaar na de sterfdag van Ischa Meijer uit. Heb je het in een roes geschreven?
“Nee, het was geen roes. Een roes krijg je als je je bezat. Als iemand sterft, zit je in een shocktoestand. Die duurt een aantal maanden, waarin je een beetje waanzinnig, gek en onbetrouwbaar bent. Ik kon geen pen vasthouden. Geeneens een briefje voor de melkboer schrijven met de tekst ‘een pak melk, halfvol.’ Na twee jaar was die shock over. Dan ben je eraan gewend dat er weer een nieuwe dag komt en ben je zeer wel in staat een boek te schrijven.”
Had je gedacht ooit een nieuwe liefde te vinden?
“Na twee jaar besefte ik dat ik niet precies dezelfde moest zoeken. In het begin zoek je met duizend ogen naar eenzelfde iemand. Maar er is geen tweede. Dat werpt je nog een keer verschrikkelijk op jezelf terug. Maar tegelijkertijd weet je dat je weer klaar bent voor liefde.”
Wat is schrijven voor jou?
“Alles. Het is zo volkomen verweven met mijn bestaan. Het is zingevend. Ik heb het ’ns mijn huwelijk met de wereld genoemd. Dat is wat ik mensen te geven heb.”
En geluk?
“Ik denk dat dat te maken heeft met samenvallen met iets dat buiten jezelf ligt. Dat kan een pagina zijn die je hebt gemaakt, die voor anderen misschien betekenis gaat krijgen. Dat is een grote vorm van geluk. In intimiteit en persoonlijk leven zijn het de momenten dat je leven samenvalt met het bestaan van de ander. Alle momenten die je even ontrukken aan de eenzaamheid van het bestaan.”
Je hebt in Vrij Nederland over de dood van Pim Fortuyn geschreven.
“Er is iets verloren gegaan die zesde mei. Ik ben na elf september sowieso angstig geworden. Voor de wereld, voor Nederland, voor of we het wel redden met onze multiculturele samenleving. Ik ben bang geworden voor radicale islamieten, voor anti-bontactivisten, voor álle activisten. Er is een grens weggevallen en dat heeft te maken met fanatisme. Zo’n Volkert van der G. is een fanaat. Behalve angst voel ik verlies. Alsof ook ons prachtige tolerante land is doodgeschoten en de mythe van gastvrijheid. Ik ben er treurig over.”
In De wetten schreef je dat je als kind te veel aan God hing. Dat je non wilde worden of misdienaar.
“Misdienaar? Priester zul je bedoelen! Nu moet je niet de mythe van mijn arrogantie naar de filistijnen helpen. Maar wat was je vraag ook alweer?”
Speelt het geloof nog een rol?
“Ja, dat merk je wel aan Geheel de uwe. God bestaat niet, maar ik houd heel veel van hem. Ik ben een heiden die met hem bezig is. Het fascineert me dat iemand mij zo kan boeien. Ik vind het enig: met iemand bomen over God. God is zo afhankelijk van het woord. Dat amuseert me. Man, wat een knap bestaan. Het is een woord dat alles onderling verbindt. Dát is nog eens een existentie. Net zoals je in een dorp ook meer bestaat zodra ‘ze’ het meer over je hebben. Je kunt lekker roddelen over God. En daarmee schep je hem.”
Hang jij erg aan het leven?
“Ja. Maar ik ga er een beetje mal mee om, waarschijnlijk juist omdat ik er zo aan hang. Ik doe er niet veel aan om honderd te worden, ga niet twee keer per week naar de sportschool, pak liever de auto dan de fiets en moet zeggen dat het leven zonder roken en drinken me heel vervelend toeschijnt. Het is een beetje Russische roulette. Maar ik hoop niet dat ik morgen ga.”
23 – 29 november 2002