Remco Campert - ‘Ik ben veilig als ik schrijf’

Gertom de Beer

Amsterdam. De zon vrolijkt het statige pand nabij Rijksmuseum en Vondelpark op. Hier woont de schrijver van het lichtvoetige werk. Van Tjeempie, van Het leven is verrrukkulluk. De dichter van bijna duizend bladzijden opmerkelijke poëzie. En een van de twee schrijvers (de ander is Jan Mulder) van de Volkskrantcolumn Camu. "Kom maar boven", zegt hij door een speaker in de muur. De deur springt open. Marmeren trappen op. Over een rode loper op audiëntie bij een lievelingsschrijver. Remco Campert troont tweehoog in een werkkamer vol boeken en twee aan elkaar geschoven werktafels. Een illustratie van een zwarte crooner aan de muur verwijst naar zijn liefde voor jazzmuziek, vooral Charlie Parker. Een bijzondere sfeer. Campert haalt moeiteloos zijn legendarische verlegenheid te voorschijn. Het gezicht met de strakke wangen wordt aanvankelijk opvallend vaak naar het blad van zijn bureau gericht. Hij haalt koffie en serveert die met licht trillende vingers. Wanneer de wapperende, fijne handen naar de eerste filtersigaret in een pakje tasten, volgt de eerste lach. De antwoorden worden al wat langer. Campert werkt nog steeds op een onthutsend eenvoudige schrijfmachine en weigert een tekstverwerker met de woorden: "’s Avonds kijken we al genoeg televisie. Ik wil geen vierkante ogen." Er volgt een nostalgische mijmering over het mooie gekras van de klassieke kroontjespen, dat hij wel eens mist. En dan gaat de cassetterecorder aan.

Naast boeken en dichtbundels schrijft u drie keer per week een column voor de Volkskrant. Dat lijkt me een hele opgave.

"Dat schrijven moet een beetje luchtig blijven. Ik ben niet aangetrokken om hoofdartikelen te schrijven op de voorpagina. Maar in het scharrelgedoe in Den Haag zitten altijd wel rare uitspraken. Die onafgemaakte zinnen. Woorden die opeens komen en verdwijnen. Slordig. Laat mij maar niet schrijven over oorlogen. Ik ben een kleinschalig denker die opschrijft wat anderen laten liggen."

U hebt altijd in ‘een staat van verliefdheid’ geschreven?

"Schrijven is als een liefdesaffaire. Het adagium van Johan van der Keuken, ‘Als ik niet meer film, ga ik dood’, geldt bij mij voor het schrijven. De fantasie de vrije loop laten, is de essentie. Als ik schrijf, ben ik niet mistroostig of gelukkig. Dan is er slechts het schrijven. Ik voel me juist veilig als ik schrijf. Al schrijvend sla ik de zorgen over."

Hoewel uw toon altijd wat melancholisch blijft. Een beetje treurig soms.

"Dat is vanaf het begin mijn toon geweest. Ik schrijf vaak over mislukkelingen, over mensen die het niet redden. Maar zo voel ik mezelf niet. Als ik begin te schrijven, gaat het automatisch die kant op. Ik heb dat vooral met mijn geboortestad Den Haag. Die ademt voor mij een weemoedig sentiment. Den Haag maakt altijd een vleugje melancholie in mij wakker. Ik heb echt een tijdje gedacht dat ik een volwaardig Amsterdams stadsmens was geworden, maar nee. De zee klotst altijd in mijn achterhoofd."

U dichtte ‘Herfst in Den Haag, wie dan niet van weemoedig geluk sterft, zal het nooit meer’. Wanneer schrijft uw pen proza en wanneer poëzie?

"Schrijven is mijn beroep, dichten valt daaronder. Dichten is wel het moeilijkst onder die noemer te vangen: het is toch – met een vreselijk woord – iets van bevlogenheid. Een gedicht overvalt je. De eerste zin die je – meestal op straat – invalt, moet je beschermen."

Over uw manier van dichten hebt u eigenlijk nooit goed kunnen praten.

"Ik heb eens geantwoord: ‘Dat merk je wel’. Ik vind nu eenmaal mijn helderheid als ik schrijf. Het is de stem die ergens in je hoofd zit. Ik blijf dicht bij de spreektaal. In mijn latere werk steeds meer. Zonder dat het de glans van de poëzie verliest. Vergelijk dichten met de solo in een jamsessie. Je staat op, blaast een improvisatie en gaat weer zitten. Het begin van een gedicht overvalt me meestal op straat. Dan ga ik gauw naar huis om het af te maken. Het is net als met dromen, wacht je te lang met opschrijven dan is het codewoord weg."

Hoe bent u als u dicht?

"Minder gewapend. Een beetje grieperig, katerig misschien. Maar ik huiver om sluitende uitspraken over mijn gedichten te doen. Mijn gedichten veranderen voortdurend. Vroeger schreef ik ze op zoals ze me kwamen aangevlogen. Als een zondagskind. Daarna dacht ik er niet meer over na. Misschien omdat ik lang dacht: het echte werk moet nog komen."

U hebt als dichter veel gereisd om inspiratie op te doen…

"Reizen is altijd belangrijk voor me geweest. Vroeger kwam de dichter niet verder dan het café om de hoek. Ik ben veel op stap geweest, vooral naar festivals in andere landen. Een jongensdroom die in vervulling ging, was mijn optreden op een dichtersfestival in Medellin, in Colombia. Daar werd ik door een heel stadion toegejuicht. Ze scandeerden zelfs mijn naam: ‘Remco, Remco, Poesia’. Duizenden mensen bleven daar zelfs in de stromende regen zitten te luisteren. Ik moest handtekeningen zetten als een popster en iedereen wilde met me op de foto. Je wordt in die landen als een soort vriend van het volk beschouwd. Een bijzondere ervaring."

In uw gedicht ‘Credo’ hebt u het over een rivier die stroomt van de zee naar de bergen. Wat voor credo was dat?

"Ik wilde ermee zeggen dat je niet met de stroom mee moet gaan, maar juist er tegenin. Dat geldt zeker voor hoe ik zelf in het leven sta. Toen mijn vader (de dichter Jan Campert – red.) op mijn derde het huis verliet om met een andere vrouw te gaan samenwonen, begon dat misschien al. Mijn moeder was actrice (Joekie Broedelet - red.) en dus werd ik nogal eens bij familie of kennissen gestald. Het grootste deel van de oorlogsjaren bracht ik, zeker niet ongelukkig, door op de Veluwe. Ik heb me daar in een groot gezin, tussen tien andere kinderen, aardig staande weten te houden. Ik weet nog goed hoeveel moeite ik had om afscheid van mijn klompen te nemen, toen ik terugkeerde naar Amsterdam. Het was het afscheid van een veilige, geborgen tijd. Terug in Amsterdam ontdekte ik het bohémienleven. Sigaretten, drank en jazz. Ik was een jongen die niets kon, maar er wel heel erg graag bij wilde horen. Intussen ging ik toch mijn eigen gang. Ook toen de literaire bladen kwamen, de gedichten en mijn schrijversvrienden Kousbroek, Lucebert en Schierbeek. Dat mijn eigen gang gaan heeft me gebracht tot waar ik nu ben. Als schrijver, als dichter, als columnist, maar vooral als mens."

U bent nu 71. Hoe ervaart u dat?

"Ik leef bij de mens. Ik heb afgerekend met mijn angsten. Wat ik wil doen, heeft iets meer urgentie gekregen, maar dat is niet onprettig. Het schrijven gaat er niet vlugger of langzamer door. Mijn leven is nu meer op orde. De enige angst die ik ken, is dat ik dement zal worden. Als het zover komt, hoop ik dat men bijtijds ingrijpt of dat ik dat zelf kan doen."

Toen u te gast was bij Martin Simek, wist u het beroemdste gedicht van uw vader, De achttien doden, niet feilloos op te zeggen. Onderweg naar huis besloot u een essay aan uw vader te wijden.

"Je weet hoe dwingend Simek kan zijn. Ik besloot toen inderdaad me eens wat meer bezig te houden met mijn vader. En het heeft me goed gedaan. Zijn gedichten uit m’n hoofd opzeggen lukt me nog steeds niet. Ook mijn eigen gedichten niet. Ik wil het ook niet. Een gedicht moet je lezen, zien. Zodra het in je hoofd zit, leeft het niet meer."

4 - 10 augustus 2001