Recensie Mieke: Het kortste stukje van de Sonnenallee van Thomas Brussig

Micha woont in de Sonnenallee in Berlijn, maar in het korte, oostelijke stuk van de door de muur in tweeën gehakte straat.

Het kortste stukje van de Sonnenallee ★★

Toen in 1961 de Berlijnse muur werd gebouwd, ging die dwars door sommige straten heen. Zo kon het gebeuren dat de Sonnenallee opgedeeld werd in een heel lang stuk in West-Berlijn en een heel kort stukje in Oost-Berlijn. Precies daar leeft de held, de vijftienjarige Micha Kuppisch, in de jaren 80 van de vorige eeuw. Hij woont met zijn broer en zus en ouders in een piepklein appartement, dus hangt hij meestal met zijn vrienden rond op een verlaten speelplein. Het is een kleurrijk groepje, al zijn ze veroordeeld tot dezelfde kleren, luisteren ze naar dezelfde, verboden, muziek, en zijn ze allemaal verliefd op hetzelfde meisje, Miriam, ‘het fenomeen van de Sonnenallee’.

Het kortste stukje van de Sonnenallee verscheen in 1999, tien jaar na de val van de Muur, en dat verklaart misschien de milde toon, terwijl je bij de DDR toch associaties hebt met de Stasi, buren die je verlinken, en overijverige dienders die je om niks arresteren. Het komt in het boek wel voor, maar het heeft steevast een hilarisch kantje. Zo zorgt de moeder van Micha ervoor dat de partijkrant altijd uit de brievenbus steekt zodat de buren, die ze ervan verdenkt bij de Stasi te zijn, hem zien. Ook de wijkagent is eerder lachwekkend dan gevaarlijk.

Brussig schrijft zelf ook zoiets aan het einde, als hij het over het menselijk geheugen heeft. ‘Het verricht voortdurend het wonder om vrede te sluiten met het verleden, waarin alle wrok in niets oplost en de zachte sluier van de nostalgie alles bedekt wat ooit als scherp en pijnlijk werd ervaren.’ Mooier kan ik het niet zeggen. Ostalgie noemen ze dat, het verlangen naar het dagelijks leven in de DDR, en dan vooral naar de gemeenschapszin uit die tijd. ‘Je menselijkheid bewaren zelfs als het publieke domein een nachtmerrie is geworden’ zoals Jonathan Franzen in het nawoord schrijft.

Dit is dus geen afrekening, maar een vrolijk, geestig boek, over een jeugd op een bizarre plek: Micha’s huis kijkt uit op de muur, dat betekende ‘een dagelijkse vernedering’, want er stonden vaak hele schoolklassen te joelen op de uitkijktoren aan Westelijke zijde. Die nabijheid betekent ook: smokkelwaar, waaronder begeerlijke platen zoals die van de Stones, waar een ware woekerhandel in is ontstaan. En veel westerse bezoekers natuurlijk. Die kunnen wél heen en weer! Een van hen is de kleurrijke oom Heinz, de broer van Micha’s moeder, die pakken met koekjes in zijn broekspijpen meesmokkelt voor de familie.

De verliefdheid op Miriam loopt als een rode draad door het boek dat meer opgebouwd is uit scènes dan dat het een chronisch verloop heeft (het was oorspronkelijk ook een filmscenario). Ze heeft steeds wisselende westerse vriendjes, want die ‘kussen beter’, ze wordt vaak opgehaald door een jongen op een AWO-motor (boekcover!), maar Micha geeft de moed niet op en gaat zelfs op dansles om haar te veroveren. Uitgerekend de brief die wel eens een liefdesbrief van Miriam zou kunnen zijn, belandt in de ‘Todesstreifen’, het niemandsland tussen Oost en West, dat voortdurend onder schot werd gehouden. Maar hoe dat afloopt moet u zelf maar lezen in deze bijzondere, satirische roman.

Uitgeverij Cossee 192 blz. € 22,99 (e-boek € 14,99)