Recensie Mieke: In de wacht van Alfred Birney

Alan Noland ziet vanaf zijn ziekenhuisbed de multiculturele samenleving aan zich voorbijtrekken.

In de wacht  ***

De bejaarde mopperaar wordt steeds populairder in de literatuur. Na Ronald Walraven in Omstandigheden van Koos van Zomeren (editie 16) heb ik er weer. Alan Noland, alter ego van Alfred Birney, die ook al in De tolk van Java voorkwam. Net als Client E. Busken van Jeroen Brouwers (editie 9) kan Noland geen kant op; hij ligt in een ziekenhuisbed, in afwachting van een hartoperatie. Hij heeft dus, net als Busken, alle tijd om het vrouwelijk verplegend personeel te becommentariëren, en zijn leven te overdenken. Wat is daar allemaal misgegaan? En door wie komt dat eigenlijk? En welke rol speelt zijn Indonesische afkomst daarbij?

En dan komt er toch een hoop derrie naar boven bij deze broze hartpatiënt… Dat de schrijver daar zelf door verrast werd vertelde hij in de NRC: ‘Terwijl ik zit te schrijven komen alle, maar dan ook werkelijk alle frustraties waar ik mee rondloop naar boven. Ik scheld op ouderen, op jongeren, op witten, op zwarten, op mijn vader, op mijn moeder, op dokters, psychiaters en psychologen, op de farmaceutische industrie, op eh… Waar scheld ik nog meer op?’ Nou, op Amsterdam, op lui achter synthesizers bijvoorbeeld en op dj’s, die mogen van hem ‘met hooivorken de sloten in worden gestuurd.’ Dat van die hooivorken vind ik wel een grappig beeld, maar verder is de humor in dit boek niet dik gezaaid.

Birney zelf hoopt dat de lezer er om kan lachen, om deze hartpatiënt die zich zo druk maakt, maar ik moet hem teleurstellen. Voor Birney zelf was het vast een geweldige opluchting om al zijn gal in één keer te spuien, maar de lezer blijft beduusd achter.

Zo’n scheldende machteloze gefrustreerde man kan best een leuk boek opleveren, maar dan heeft het wel wat meer lucht nodig, meer zelfspot.

Alan heeft een veelbewogen leven achter de rug. Helaas heb ik De tolk van Java nooit gelezen, maar de tirannieke vader uit dat boek komen we ook hier weer tegen. Zijn moeder is al even erg, een kettingrokende, harteloze Brabantse. Een vreselijke jeugd dus… Toch is hij teleurgesteld dat ze hem niet opzoekt. Zijn zoon zoekt hem ook niet op. Die is ooit in de handen gevallen van de pillenmaffia, van de ‘psychonazi’s. Belachelijk dat al die jongeren ziek worden verklaard omdat ze afwijkend gedrag vertonen. De zorgverzekeraars moeten trouwens ook allemaal onder curatele gesteld, enzovoort, enzovoort.

Alleen zijn gitaarleerlingen zoeken hem af en toe op. Ja, Alan Noland is een eenzame, misogyne man, die het er zelf naar gemaakt heeft. Af en toe maakt hij een praatje met een medepatiënt die toevallig bij hem op het zaaltje ligt. Uiteraard krijgt de multiculturele samenleving er ook van langs, die begon met de komst van mensen als Alans vader, de Indo’s. En het koloniale verleden uiteraard dat dáár weer aan vooraf ging: ‘Wat is Nederland zonder dat verleden? Helemaal niets. Een modderpoel van kikkers en ooievaars. Suikerbieten vretende reuzen.’ En toen moest ik toch nog lachen…

Uitgeverij De Geus 320 blz. €22,50