Recensie Mieke: Waar ik liever niet aan denk

Het verhaal van een depressieve broer, verteld door zijn tweelingzus die hem zowel liefheeft, hem dingen kwalijk neemt, en hem vreselijk mist.

Waar ik liever niet aan denk ★★

En zo zou het zomaar kunnen dat we, na Marieke Lucas Rijneveld wéér een winnaar van de Internatonial Booker Prize krijgen, de prijs voor beste boek én vertaling in het Engels. Tot veler verrassing kwam Jente Postuma’s Waar ik liever niet aan denk op de shortlist terecht.  In een interview kreeg ze de vraag door welke internationale schrijvers ze beïnvloed was. Virginia Woolf, gokte ik. Deborah Levy? Maar nee, de Belgische Chantal Akerman blijkt haar grootste inspirator, hoe die de broeierige banden met haar moeder heeft beschreven.

De hoofdpersoon uit Waar ik liever niet aan denk is ook verstrikt in een familieband, die met haar tweelingbroer. Hij noemt haar Twee, zelf is hij natuurlijk Een, omdat hij drie kwartier eerder werd geboren. En hij is groter. In korte scènes, soms van nog geen halve pagina, beschrijft Posthuma de dynamiek tussen die twee van aantrekken en afstoten. Dat geeft het droevige verhaal iets lichts, die vorm. Ze gaan allebei Engels studeren, de een woont aan een kant van het park, de ander aan de andere kant. Beiden hebben een aanleg tot depressiviteit, maar bij hem neemt het steeds heftiger vormen aan en uiteindelijk pleegt hij zelfmoord. Dit is geen spoiler want het staat al op pagina 51. Omdat hij haar rots in de branding was, op wie ze altijd kon rekenen, blijft Twee ontheemd achter.

Het lijkt opeens wel een thema in de literatuur, tweelingen. Onlangs nog besprak ik Cobi van Baars’, De onbedoelden. En ja, er zit iets fascinerends in het tweeling zijn, maar ook een enorme tragiek. Hun hechte band, maar ook hun rivaliteit. Negen maanden verstrengeld in de baarmoeder, en dan bruut gescheiden.

Waarom neemt broer steeds afstand? Twee kan het niet verwerken, ook de relatie met haar man, Leo, lijdt er onder. Zeker als ze na zijn dood steeds vaker in het lege appartement van haar broer gaat slapen. Het is heel treurig allemaal en Posthuma maakt schrijnend en invoelbaar duidelijk hoe het is om te leven met zo’n intens gemis, en je dan ook nog schuldig te voelen, omdat je vindt dat je gefaald hebt, en hem niet hebt kunnen redden. Even overweegt ze hem achterna te gaan. Dan staat ze bij een stoplicht, als er een vrachtwagen aan komt rijden. ‘Wat als ik nu, dacht ik. Nu. NU. Toen was de vrachtwagen voorbij. De kans was voorbij. Mijn broer was weg, en met hem mijn hele verleden.’

Tussendoor staan stukken over de Twin Towers, waarvan 1 WTC ook iets langer was. Of over Josef Mengele die experimenten op tweelingen uitvoerde. Toch heeft alles een functie in het verhaal. ‘Ik schaamde me voor de uren waarin ik mezelf verloor in het zoeken naar verhalen van Holocaustoverlevenden, voor de manier waarop ik het grote leed van anderen gebruikte om mijn kleine verdriet te verwerken. Om de Holocaust mocht ik huilen.’ Dit lijkt misschien allemaal melodramatisch maar Posthuma heeft ook heel veel humor. Er staan veel droogkomische zinnen in, zoals ‘Hout is gezellig, zei hij vaak, dat is gewoon zo.’ Dat maakt dat je er toch doorheen zoeft.

Uitgeverij Pluim 240 blz. € 22,99