Károly wordt na de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gestuurd.
Na de Eerste Wereldoorlog werden in Hongarije kindertransporten georganiseerd. Sterk vermagerd kroost mocht voor een paar maanden naar Nederland om aan te sterken. Ik kende deze geschiedenis niet. Van al zijn broertjes en zusjes was de kleine Károly er kennelijk het slechtste aan toe, want hij werd op de trein gezet. Levenslang hield hij er een trauma aan over: waarom lieten mijn ouders uitgerekend mij gaan? Het moet voor de ouders een duivels dilemma zijn geweest.
Lieke Kézér begint de roman over deze Károly, haar grootvader, dan ook met een hoofdstuk vanuit Karolys moeder. Het is najaar 1920. Ze tobt: hoe kan ze haar zoontje naar vreemden sturen?’ Maar ja… ‘Eerst was de worst verdwenen uit haar aardappelsoep en daarna de paprika. De stukken aardappel waren steeds kleiner geworden en de bouillon veel lichter, tot de smaak was verwaterd en alleen de warmte was overgebleven.’ Dus hij gaat.
We zitten met Károly in de trein, waar hij een meisje ontmoet en we stappen met hem de keuken binnen van drie broers op een boerderij in Brabant. Een liefdevol mannenhuishouden, waar hij tot zijn vreugde een andere Hongaarse jongen aantreft, Ferencz, die twee jaar ouder is. Ferencz gaat tegen zijn zin weer terug, maar Károly blijft, de rest van zijn leven. Niet alleen zijn naam verandert in Karel, ook zijn taal, zijn hele toekomst. En daarmee zijn identiteit. Wat dat doet met een mens is het centrale thema van deze subtiele roman.
Karel draagt dat verleden met zich mee, maar hij zwijgt erover. Nog één keer gaat hij terug om zijn geboorteakte op te halen. Hij wil trouwen met Edie, een eigen boerderij beginnen en een gezin stichten. Het is een pijnlijke scène: zijn vader en moeder hebben zich mooi opgedoft. De taal is er niet meer. Hij is een vreemde geworden. En dan doet hij een ontdekking die hem erg kwetst. ‘Hij had spijt dat hij had toegezegd hier te logeren (…) Hij sliep nog liever in de buitenlucht dan dat hij onder hetzelfde dak sliep als deze mensen die hem zagen als hun zoon.’
Het gedeelte dat zich op de boerderij afspeelt is aan de lange kant. Maar dat past ook wel bij een leven dat bepaald wordt door de seizoenen; zaaien, oogsten, de geboorte van jonge dieren, het volgt elkaar in rustig tempo op. Hoe heftig het leven in zijn jeugd was, zo kalm is het later geworden. Ogenschijnlijk dan. Ik voelde de onderhuidse spanning. Kézér schrijft subtiel en invoelend, ze hanteert een rustig tempo, kabbelend bijna. Vooral de episode met de onderduikers die hij herbergt boven de varkensstal, is erg uitgesponnen. Ook kun je je afvragen of de toestand van Edie met haar onwillige oude moeder zoveel toevoegt. En een zin als: ‘Hij had zijn gevoelens gearchiveerd en opgeborgen. Wat aanvankelijk een verkrampt stilzwijgen was geweest, was inmiddels een tweede natuur geworden’, is overbodig. Dat had ze ons al duidelijk gemaakt. Toch bleef Karels verhaal me intrigeren en ik las het boek achter elkaar uit
Uitgeverij De Arbeiderspers 302 blz. € 23,99 (e-boek € 13,99)