Een verhaal over tragiek en geluk van mensen binnen een kleine gemeenschap, die langs de Maas in nauwe verbondenheid met de natuur leven.
Antoon Coolen wordt vaak gezien als auteur van streekromans. Maar in het nawoord vergelijkt Maarten ’t Hart hem met William Faulkner en Carson McCullers, twee beroemde Amerikaanse schrijvers uit het diepe zuiden. Worden die soms weggezet als streekromanschrijvers? Nou dan. ’t Hart prijst ‘die ongemeen kleurrijke, levendige, overrompelende, onstuimige verteltrant’ van Coolens klassieker uitbundig. Terecht! Maarten las Coolen al jong, evenals illustrator Eric, maar ik moet bekennen dat ik het nooit eerder las. Maar wat een ontdekking! Je realiseert je dat het niet voor niks een klassieker is.
Grote held is Tjerk van Taeke, een Friese arts die in een Brabants dorp aan de Maas zijn draai heeft gevonden. Een geweldige dokter, maar ook een eigenzinnig mens die niet door iedereen op handen wordt gedragen. In het dorp, waar Lith model voor heeft gestaan, wonen bijzondere personages, die vol verhalen zitten die met smaak worden opgediend: Mammeke, een vrouw met een door syfilis verwoest gezicht, die altijd een doek over haar hoofd heeft; de dove stroper Cis, die bevriend is met de dokter, stugge boeren, een onbetrouwbare burgermeester, molenaarsknechten die zich ophangen en een veerman, die de dokter weigert over te zetten als er te veel ijs in de rivier ligt. Ze hebben namen als Pale Pie en Brammetje Peccator.
Van Taeke is niet alleen eigenwijs maar ook moedig. Hij lóópt over die bevroren Maas als er een kraamvrouw in levensgevaar is. En als hij zelf geopereerd moet worden aan een nierabces, dan gaat dat zonder verdoving: ‘Neen, mijne heren, zei hij, ik ben een mán. Weg met chloroform, geef mij liever een cognacje, en geef mij een sigaar, want daar heb ik trek in’. Hij heeft rood haar en loopt in een pelsjas, ‘hij had iets van een wild dier’. Overigens opereert hij zelf ook met een sigaar in zijn mond, waar dan geen as van afvalt, gelukkig maar.
Hij heeft een vrouw die hij aanbidt, en die helaas overlijdt, en drie zonen, ‘woest als rovers en als indianen’. Ze liepen als hazen op de vlucht en ‘Ge moest ze zien zwemmen als ratten in de Maas.’ Niet alleen genoot ik van de taal, het boek ontroerde me ook. Dat heeft vast te maken met mijn eigen dorpse jeugd, waarin Grove Teun, Kees van Japkes en Witte Dries rondstapten, maar óók met de natuurbeschrijvingen, en de wisselingen van de seizoenen: Coolen is er een meester in.
En wie weet vindt het een jong lezerspubliek, dat is wel waar Eric Coolen op hoopt. Daarom is deze heruitgave er gekomen, met tekeningen. De spelling is ‘licht gemoderniseerd’. Prima maar het was ook wel handig geweest als er een verklarende woordenlijst was toegevoegd. Wie weet nog wat een borteling of een luizeel is, of ‘bussels van wenkbrauwen’.
Het boek is in 1958 verfilmd, door Fons Rademakers, met als coscenarist Hugo Claus. Max Croiset speelde de dokter en Mary Dresselhuis zijn vrouw. Het werd nog een Oscar-inzending ook. Je kunt hem in zijn geheel terugkijken op YouTube.
Wel eerst het boek lezen natuurlijk.
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar 240 blz. € 24,99