Als je ziet hoe Israël zich nu gedraagt tegenover de Palestijnse inwoners van Gaza en de Westelijke Jordaanoever, dan is het ongelofelijk dat dit boek er ooit een veelgeprezen bestseller is geweest.
Als je ziet hoe Israël zich nu gedraagt tegenover de Palestijnse inwoners van Gaza en de Westelijke Jordaanoever, dan is het ongelofelijk dat dit boek er ooit een veelgeprezen bestseller is geweest. Maar het is echt waar. Ik las het in het nawoord van de Amerikaanse schrijver Nathan Thrall, die in Jeruzalem woont. Toen dit boek uitkwam in 1949 was de verdrijving van de Palestijnse bevolking nog geen taboe. De respons was destijds niet verontwaardigd of schaamtevol. Wel wees een van de weinige recensenten op de hypocrisie van degenen die de Israëlische acties wel veroordeelden. ‘Waarom zou je Chirbet Chiz’a eruit pikken? We hebben allemaal meegewerkt aan de verdrijving, allemaal gepakt wat we pakken konden.’ ‘Het grootse bouwwerk van onze onafhankelijkheid is gebouwd op de ruïnes van hun verlaten huizen. Daar moeten we de ogen niet voor sluiten.’
Ik vond het een naar boek om te lezen, omdat je al weet wat er gaat gebeuren. Een groep jonge Israëlische soldaten trekt door een lieflijk landschap naar het Palestijnse dorp Chirbet Chiz’a. Hun opdracht: alle bewoners op vrachtwagens laden en wegvoeren en hun huizen verbranden. Het zijn de nadagen van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 en er moet ruimte komen voor Joodse immigranten. Simpel. De soldaat/verteller van dit fictieve verhaal is de enige die last heeft van gewetensnood. Al vanaf het begin is hij onrustig en alert. Het naderende onheil wordt prachtig beschreven, ik kan niet anders zeggen. S.Yizhar (pseudoniem van Yizhar Smilansky) is een meesterlijke verteller en een groot stilist.
‘En ineens bekroop ons het gevoel dat ons een of andere aanval, een overrompelend kwaad boven het hoofd hing: de vreemde muren sloten ons in, omgaven ons met woedende, smiespelende boosaardigheid, we leken ineens geïsoleerd en hulpeloos en niemand wist uit welke richting het onheil zou toeslaan – tenzij het niets anders was dan precies het onheil dat wij hier zelf vormden en dat we naar ons beeld en naar onze gelijkenis hadden geschapen.’ (een verwijzing naar Genesis: En God zei: laten we mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.)
De Palestijnen worden aangesproken met ‘Hond’, of ‘vullis’ en overeenkomstig behandeld. Ik moest denken aan het lot van de Joden in de holocaust, die ook zonder mededogen werden afgevoerd. Maar daar wordt in het boek, dat vier jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog uitkwam, met geen woord over gerept.
Het geweten van de verteller begint steeds meer te knagen. Net als de lezer ziet hij enorm op tegen wat er onherroepelijk komen gaat. Waarom moet ik het vieze werk doen? ‘Maar meteen begon binnen in mij een andere stem te zingen: tere ziel, tere ziel. Steeds treiterender zong die een psalmlied voor de gevoelige ziel die het verachtzame werk overliet aan anderen.’ Hij is zich bewust van zijn hypocrisie. ‘Ik haatte elke vezel van mijn wezen.’
Ik begrijp wel waarom het boek van de leeslijst voor Israëlische middelbare scholieren is gehaald. De huidige regering heeft er geen enkel belang bij dat jongeren zich morele vragen gaan stellen. Een verbijsterend boek, en verbijsterend actueel.
Uitgeverij Cossee vertaling Ruben Verhasselt 104 blz. € 19,99 (e-boek € 10,99)