‘Het voornaamste wat wij ons van een gelezen boek herinneren, is de ‘Stimmung’, wat je met atmosfeer of grondtoon zou kunnen vertalen, aldus een Duitse literatuurwetenschapper.
Wat romanpersonages precies doen, hoe ze dat doen, wat ze tegen elkaar zeggen en in welke volgorde dingen gebeuren, dat vergeet je na lezing al spoedig maar de atmosfeer blijft hangen.’ Dit las ik in het onlangs uitgekomen ‘Elke dag’ van Maarten Asscher, een mooi boekje over zijn sterfelijkheid, en ik dacht: ja, daar heeft die Hans Gumbrecht wel een goed punt.
Nu heb ik ‘Hier komt de zon’ nog maar pas uit, maar als ik over een jaar aan dit boek terugdenk dan zal de sfeer me zeker nog bijgebleven zijn. De sfeer van verloedering op de Amsterdamse wallen, die van jong zijn in de jaren zeventig, maar ook die van je beklemd voelen op de middelbare school.
Kees van Beijnum beschrijft in deze ‘onverbloemde autobiografische roman’ zijn jeugd, en dan vooral de verhouding tot zijn moeder. Het woord ‘kleurrijk’ schiet te kort als het over die moeder gaat. Ze drijft een hotel aan de Warmoesstraat in Amsterdam, is jong weduwe geworden en ondertussen sleept ze haar gezin, inclusief grootvader, mee van de ene woning naar de andere, het intussen aanleggend met types als een foute Duitser met een dubbelleven, of een manisch-depressieve Surinaamse arts. We zien haar door de ogen van haar zoon Kees, die haar adoreert, maar ook ziet hoe moeilijk ze het heeft, en hoe graag ze zich uit ‘de achterlijkheid’ had willen losrukken, ‘beschaafd met een zachte stem spreken, een roman lezen, de weg naar een ander soort ervaring.’
‘Als hij zijn moeder gebogen over de marmeren tafel de dagopbrengst ziet tellen, met verkrampte schouders en ingevallen wallen, heeft hij met haar te doen.’ Maar het lukt haar om, in ieder geval financieel, de sociale ladder te bestijgen.
Ze betrekt een bungalow in Landsmeer, waar ze als eerste van het dorp een zwembad aan laat leggen en rijdt in een rode sport-Mercedes. ‘Ze houdt van autorijden, het zwakke licht van het dashboard op haar gezicht, ze geniet van de greep van haar vingers om het stuur met in het midden de ster die haar toe straalt.’ Ontspannen, koel, zelfverzekerd, een filtersigaret tussen haar gestifte lippen. In de ogen van Kees ziet ze eruit als een filmster, die met hoge hakken langs het sportveld loopt.
Natuurlijk moet hij het nóg verder schoppen, arts of dierenarts. Hij kan toch goed leren? Daar zit het drama van het boek. Kan, en wil Kees aan die verwachtingen voldoen?
Van Beijnum neemt de tijd, hij beschrijft niet alleen zijn leven van jongen tot volwassene, maar ook de veranderende tijdgeest. Dat levert heerlijke beelden op, voor mij als leeftijdgenoot ook heel herkenbare. Heeft hij dat allemaal zo goed onthouden, of hield hij een dagboek bij?
Het boek deed me vaak denken aan ‘De Jaren’ van Annie Ernaux, waarin ze ook haar eigen leven vervlecht met de voortdenderende tijd. En nee, ik vond het niet te lang. Ik heb van elke bladzijde genoten.
Uitgeverij De Bezige Bij 528 blz. € 29,99 (e-boek € 12,99)