Autobiografische roman over de jeugd van de auteur, die opgroeide in een hecht katholiek gezin en hoe ze op jeugdige leeftijd bewust verslaafd raakte aan whisky.
Een nieuw boek van Connie Palmen, na elf jaar, dat betekent reuring. Ze is nou eenmaal een schrijfster die controverses oproept. De stelligheid waarmee ze haar levenswijsheden verkondigt, wekt soms ergernis. ‘Palmen weet alles zeker en heeft nooit spijt,’ schreef de Volkskrant.
Er was ook gekrakeel over of je dit boek nou ‘memoires’ of ‘roman’ moet noemen. Volgens Palmen zelf heeft het alle kenmerken van memoires, maar is het toch een roman omdat ze de inhoud erbovenuit tilt. Zo gaat dit boek over grensoverschrijding; het speelt niet voor niks in de grensstreek. Het staat voor meer: het gaat over de vijand met wie je bevriend raakt (dat is de drank), het gaat over de lelijke kant, de schaduwkant in ieder van ons. Zo zei ze het ongeveer in Buitenhof.
Ook werden een paar schrijfsters boos, omdat Connie in een interview gezegd had dat een succesvolle vrouwelijke auteur het moederschap moet opgeven. Een radicale schrijver kiest voor eenzaamheid. Ze wezen op Zadie Smith en op Nobelprijs voor de Literatuur-winnaars Toni Morrison en Annie Ernaux, beiden moeder.
Altijd vermakelijk, dat literaire gekrakeel. Ook kun je eindeloos delibereren over de thematiek van grensoverschrijding, het gevoel populair te zijn en er toch niet bij te horen, en over het wezen van een radicale persoonlijkheid. Dat doet iedereen dan ook.
Maar ik las een heel persoonlijk boek, over een moeder, broers, familie en hoe het voelt om je daarvan los te rukken, om uit het dorp naar de grote stad te gaan: ‘In de stad had het geluk een andere polsslag, het vond vaker plaats en ging sneller voorbij, het flitste op in nieuwe ontmoetingen, vluchtige verliefdheden, (…) een briljant college, zinderend toneelstuk, onthullende tentoonstelling (…) Thuis, in het dorp, was het geluk bedaagd en trouw, school weggedoken in de plooien van de tijd (…) in de afwisseling van de seizoenen, de feesten en de vieringen, grenservaringen die ons aan de tijd en de ruimte bonden, ons bijeenhielden.’
Ik las mooie, herkenbare schetsen van ouders die je eerste kamer in de grote stad helpen inrichten en hoe vreemd en ongemakkelijk dat voelde, hen in je eigen ruimte te ontvangen. Ook de bevreemding die je overvalt als je dagboeken terugleest van jezelf als puber en ‘de naïviteit te verdragen van een schijnwijze tiener die met een licht geëxalteerde liefde voor het gehele mensdom dagelijks een nog onbegrepen eenzaamheid bezweert.’ Ik ben het en ik ben het niet. Precies.
Ik vind dat Palmen prachtig schrijft over haar leven en waardoor ze geworden is wie ze is. Natuurlijk gaat de meeste aandacht uit naar die alcoholverslaving en de scène waarin ze voor het eerst letterlijk de grens oversteekt met haar brommer en in een morsig café haar eerste slok Johnny Walker neemt. Evenals naar haar fascinatie voor het ultieme links-radicale van Ulrike Meinhof. Maar het is ook een heel intiem en teder boek. Het zit er allemaal in.
Uitgeverij Prometheus 228 blz. 23,99 (e-boek € 13,99)